Een vast fundament

Les 41

Jezus werd gegrepen door Zijn vijanden

Zo nu en dan horen we van iemand die gearresteerd werd voor iets wat hij niet gedaan had. Is jou dat ooit overkomen, ben je ooit beschuldigd van iets wat je niet deed? Wat vond je daarvan?

Maar laten we het nu omdraaien. Heeft ooit iemand een beschuldiging op zich genomen, voor iets wat jij gedaan hebt? Is er ooit iemand gestraft voor wat je zelf verkeerd hebt gedaan? Denk erover na wanneer we gaan kijken hoe de Heere Jezus gevangen genomen werd.

We lezen voornamelijk uit Marcus 14:32-65 en 15:1-15. Dit kan ook in zijn geheel vooraf worden gelezen. Aan het eind van de les staan deze gedeelten afgedrukt. Als u/jij bent opgegroeid met de Bijbel en de geschiedenissen, is dit een bekend gedeelte. Toch willen we aanmoedigen om het aandachtig te lezen.

A. De Heere Jezus in Gethsemane

Marcus 14
32 En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsémané was, en Hij zei tegen Zijn discipelen: Ga hier zitten totdat Ik gebeden zal hebben.
33 En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en begon ontdaan en zeer angstig te worden;
34 en Hij zei tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak.
35 En toen Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich ter aarde en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan.
36 En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn mogelijk voor U; neem deze drinkbeker van Mij weg, maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.

Ook al was de Heere Jezus God, Hij was ook mens. Omdat Hij ook God was, wist Hij al wat er allemaal zou gebeuren met Hem, en dat maakte het (als mens) extra moeilijk. Hij wist dat Zijn lijden erger zou zijn dan wat ooit een mens is overkomen.

Als we verder kijken, zullen we zien waar de Heere Jezus het meest verdriet van had.

Marcus 14
37 En Hij kwam en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Simon, slaapt u? Was u niet in staat één uur te waken?
38 Waak allen en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
39 En toen Hij weer weggegaan was, bad Hij en sprak dezelfde woorden.
40 En toen Hij terugkwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden; en zij wisten niet wat zij Hem moesten antwoorden.
41 En Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.
42 Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.

B. De Heere Jezus werd verraden en gevangengenomen

We lezen het Bijbelgedeelte verder en vinden daar hoe Hij gevangen werd genomen.

Marcus 14
43 En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, die een van de twaalf was, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten.
44 En hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem, en leid Hem zorgvuldig bewaakt weg.
45 En toen hij daar gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi, Rabbi, en hij kuste Hem.
46 En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.
47 Maar een van degenen die daarbij stonden, trok het zwaard, en hij trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.
48 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan, als tegen een misdadiger, om Mij gevangen te nemen?
49 Dagelijks was Ik bij u in de tempel onderwijs aan het geven en u hebt Mij niet gegrepen, maar dit gebeurt opdat de Schriften vervuld worden.

De Heere Jezus wist dat alles wat er over Hem gezegd was in het Oude Testament, precies zo zou gaan gebeuren zoals God het gezegd had. Lees maar verder.

Ook vandaag denken mensen er niet aan, maar als zij Gods Woord afwijzen en weigeren in Jezus als hun Redder te geloven, worden zij ook door Satan geleid. Zij hadden het vast zelf niet in de gaten, maar Judas en de mannen die met hem waren werden door Satan geleid. We lezen de geschiedenis verder.

C. De discipelen vluchtten allemaal

De discipelen renden allemaal weg en lieten de Heere Jezus alleen, zoals Hij gezegd had dat ze zouden doen.

Markus 14:27 En Jezus zei tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen uiteengedreven worden.

De discipelen waren bang, teleurgesteld en verward. Zij geloofden dat Jezus de Redder was die door God gestuurd was, maar zij konden niet begrijpen hoe Hij de Redder kon zijn als Hij gedood zou worden door Zijn vijanden. Zij begrepen niet hoe Zijn dood hen kon bevrijden van Satan, zonde en de dood.

We lezen dit in Gods Woord.

Marcus 14
50 En Zijn discipelen verlieten Hem en vluchtten allen.
51 En een zekere jongeman, die een linnen kleed om het naakte lichaam geslagen had, volgde Hem, en de jongemannen grepen hem,
52 maar hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg.

D. Jezus werd voor de Joodse leiders gebracht

Petrus volgde op een afstand. Petrus was bang dat hij ook gevangengenomen en gedood zou worden. Lees maar.

Marcus 14
53 En ze leidden Jezus weg naar de hogepriester; en bij hem kwamen al de overpriesters, de oudsten en de schriftgeleerden bijeen.
54 En Petrus volgde Hem op een afstand, tot binnen het paleis van de hogepriester, en hij zat er samen met de dienaars en warmde zich bij het vuur.
55 En de overpriesters en heel de Raad zochten een getuigenverklaring tegen Jezus om Hem te kunnen doden, maar vonden die niet.

De Heere Jezus stond voor het Sanhedrin. Het Sanhedrin was de allerbelangrijkste plaats waar een rechtszaak kon plaatsvinden. Mensen die bijvoorbeeld iemand hebben vermoord moeten ook in Nederland voor een rechtbank komen. Ook in wetten van Nederland staat dat je iemand niet mag vermoorden.

De Heere Jezus had niets verkeerds gedaan, en daarom konden ze geen wettige reden vinden om Hem te doden. Hij had niets gedaan wat tegen de wet was.

Ze hadden geen enkele reden om Jezus te haten. Ze haatten Hem omdat ze hun eigen zondige leventje meer liefhadden en Gods Woord, dat Jezus hen verteld had, wilden ze niet gehoorzamen. En daarom werden er voor deze rechtbank van het Sanhedrin leugens verteld.

Marcus 14
56 Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar de getuigenissen waren niet eensluidend.
57 Toen stonden er enigen op en legden een vals getuigenis tegen Hem af en zeiden:
58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken en in drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen.
59 En ook zo was hun getuigenis niet eensluidend.

God had zijn profeten al heel lang daarvoor in de Bijbel laten opschrijven dat er valse getuigen zouden zijn. We lezen dit bijvoorbeeld in één van de Psalmen van David:

Psalm 27:12 Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders, want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan en mensen die briesen van geweld.

De Heere God had David deze profetie laten opschrijven bijna duizend jaren daarvoor. Nu de Heere Jezus voor het Sanhedrin stond, kwamen de woorden die David had geschreven, uit. Alles wat God zegt, zal gebeuren, altijd.

Toen zij leugens over Hem vertelden, was Jezus stil en wilde geen antwoord geven. Lees maar:

Marcus 14
60 En de hogepriester, die in het midden opstond, vroeg Jezus: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze mensen tegen U?
61 Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?
62 En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel.
Zie ook 1 Petrus 2:23 Die, toen Hij uitgescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt.

Jezus vertrouwde op God en hoefde Zichzelf daarom niet te verdedigen. Hij wist dat alles wat er met Hem zou gebeuren, volgens het plan van Zijn Vader was, zodat wij van de macht van Satan, de zonde en de dood bevrijd konden worden.

Maar toen zij Hem vroegen of Hij werkelijk de Christus was (de beloofde Verlosser) en de Zoon van God, antwoordde Jezus heel duidelijk dat Hij het was.

Denk terug aan de vorige lessen: God vertelde Mozes dat hij tegen de Israëlieten in Egypte moest zeggen dat hij door God, "Ik ben" , gestuurd was. "Ik ben" was dus de naam die God Zichzelf had gegeven. Denk erover na: In Johannes 18, waar wordt beschreven dat Jezus gevangen wordt genomen, noemt Hij Zichzelf "Ik ben" (Joh. 18:6). De Joodse leiders wisten heel goed dat de Heere Jezus hier de naam van God, "Ik ben" gebruikte. Ze konden zich ook herinneren dat de Heere Jezus eerder had gezegd, dat Hij gelijk aan God was.

Toen de Heere Jezus voor het eerst naar deze wereld kwam, kwam Hij als Redder. De volgende keer dat Jezus naar deze wereld zal komen, komt Hij als de almachtige Zoon van God en rechter van alle mensen. Als Hij terugkomt naar deze aarde, zal iedereen Hem zien. Iedereen zal zien dat Hij echt God is, omdat Hij iedereen zal laten zien dat Hij aan God gelijk is. Dit hebben we zojuist gelezen in Marcus 14:62.

De geschiedenis over Jezus’ laatste dagen op aarde gaat verder:

Marcus 14
63 Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Waar hebben wij nog getuigen voor nodig?
64 U hebt de godslastering gehoord. Wat is uw mening? En zij allen oordeelden over Hem dat Hij schuldig was en de dood verdiende.

Als de Joden wilden laten zien dat ze boos waren of ontsteld, was het hun gebruik om hun kleren te scheuren. De Hogepriester was erg boos, omdat Jezus, door Zijn antwoord, had gezegd dat Hij aan God gelijk was.

En dit is wat daarna gebeurde:

Marcus 14:65 Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen en Zijn gezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tegen Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem slagen in het gezicht.

Dit is precies wat Gods profeten hadden gezegd dat er met de Redder zou gebeuren. Lees maar:

Jesaja 50:6 Ik geef Mijn rug aan hen die Mij slaan, Mijn wangen aan hen die Mij de baard uitplukken. Mijn gezicht verberg Ik niet voor smaad en speeksel.

Jesaja schreef dit bijna 700 jaren voordat Jezus door dit lijden ging. En Jezus droeg het lijden vrijwillig, zoals Jesaja het voorspeld had.

E. De Heere Jezus werd voor Pilatus gebracht

De Romeinen die Israël bezetten lieten niet toe dat de Joden iemand zouden doden zonder hun toestemming. Daarom moest Jezus naar de Romeinse overheersers gebracht worden. In Marcus 15:1 staat:

1 En meteen, 's morgens vroeg, beraadslaagden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden en heel de Raad, en nadat zij Jezus gebonden hadden, brachten zij Hem weg en leverden zij Hem over aan Pilatus.

Pilatus was door de Romeinse keizer, Ceasar, aangewezen om over Samaria en Judea te regeren. Daarom brachten de Joodse leiders Jezus naar Pilatus, in de hoop dat op basis van de valse beschuldigingen Pilatus Jezus ter dood zou veroordelen. Jezus was een nakomeling van koning David en zou koning hebben moeten zijn over de Joden, maar nu was Hij het tegenovergestelde.

De geschiedenis gaat verder in Marcus 15:2.

Marcus 15
2 En Pilatus vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? En Hij antwoordde hem en zei: U zegt het.
3 En de overpriesters beschuldigden Hem van veel dingen, maar Hij antwoordde niets.
4 En Pilatus stelde Hem opnieuw een vraag en zei: Antwoordt U niet? Zie, hoeveel zij tegen U getuigen! 5 Maar Jezus antwoordde helemaal niets meer, zodat Pilatus zich verwonderde.

De profeet Jesaja had gezegd dat de Redder stil zou zijn wanneer Hij vals beschuldigd zou worden. Alles wat God zegt wordt altijd helemaal vervuld.

Jesaja 53:7 Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid; als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open.

F. Barabbas of Jezus?

In Marcus 15:6-11 staat:

Marcus 15
5 Maar Jezus antwoordde helemaal niets meer, zodat Pilatus zich verwonderde.
6 Nu liet hij op een feest één gevangene voor hen los, wie zij maar wensten.
7 En er was er een, die Barabbas heette, die gevangenzat met medeoproermakers die in het oproer een moord begaan hadden.
8 En de menigte schreeuwde en begon te eisen dat hij zou doen zoals hij altijd voor hen gedaan had.
9 En Pilatus antwoordde hun: Wilt u dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat?
10 Want hij wist dat de overpriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
11 Maar de overpriesters hitsten de menigte op, dat hij liever Barabbas voor hen zou loslaten.

Het was een gewoonte tijdens het Pascha dat Pilatus een gevangene losliet waar de Joden om vroegen. Pilatus wist dat Jezus niets verkeerds had gedaan. Hij ging ervan uit dat de Joodse leiders Jezus alleen wilden doden omdat ze jaloers op Hem waren. Pilatus hoopte dat de Joden ervoor zouden kiezen om Jezus vrij te laten in plaats van Barabbas die een moordenaar was.

Eén voor één werden de profetieën van het Oude Testament over de Verlosser vervuld in Jezus Christus. God had door Zijn profeet Jesaja gezegd dat de Joden de Verlosser zouden haten, ook al was daar geen reden voor. Hij zei dat zij Hem zouden verwerpen. Alles wat God zei door Zijn profeten over de Verlosser die zou komen, werd vervuld.

Jesaja 53:3 Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, bekend met ziekte, en als iemand voor wie men het gezicht verbergt; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.

G. De Joodse leiders wilden dat Jezus gekruisigd werd

Daarna staat er in Marcus 15:12-14:

Marcus 15
12 En Pilatus antwoordde opnieuw en zei tegen hen: Wat wilt u dan dat ik met Hem doen zal Die u de Koning van de Joden noemt?
13 En zij riepen opnieuw: Kruisig Hem!
14 Maar Pilatus zei tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? En zij riepen nog harder: Kruisig Hem!

Alleen de ergste criminelen werden door de Romeinen gekruisigd. De kruisiging was een verschrikkelijke straf, omdat de persoon die gekruisigd werd niet gelijk stierf. Hij moest heel lang lijden voor hij dood ging.

H. Jezus werd geslagen en bespot

In Marcus 15:15 staat:

15 Pilatus nu wilde de menigte tevredenstellen en liet Barabbas voor hen los; en hij leverde Jezus, nadat hij Hem gegeseld had, over om gekruisigd te worden.

Na het verschrikkelijke geselen, bespotten de soldaten Jezus. Zij kleedden Hem in een purperen kleed (dit was de rode kleur die de koningen gedurende deze tijd droegen) en zij maakten een kroon van takken die grote scherpe doornen hadden en zetten de kroon op het hoofd van Jezus. Deze doornen zijn zo scherp, sterk en lang dat ze iemand konden doden. De Heere Jezus moet heel erg gebloed hebben.

Wij vinden het erg als iemand lijdt voor iets wat hij niet gedaan heeft.
Maar hoe zit dat met de Heere Jezus?
Hij leed voor jou en voor mij, voor dat wat wij gedaan hebben.
Hij werd vals beschuldigd - voor iets wat Hij niet gedaan had.
Hij werd bespot en geslagen,
maar Hij klaagde niet.
Hij deed het voor mij, voor mijn zonden.
Hij wilde het doen voor jou, voor jouw zonden.
Denk daarover na.

Vragen

  1. Wie leidde Judas en de joodse leiders om de Heere Jezus te arresteren en te doden?
    Antwoord: Zij werden geleid door Satan.
  2. Wat had de Heere Jezus voor verkeerds gedaan?
    Antwoord: Hij had niets verkeerd gedaan.
  3. Wat zei Jezus toen de mensen logen over Hem?
    Antwoord: De Heere Jezus antwoordde niets.
  4. Waarom werd de hogepriester boos en scheurde zijn kleren?
    Antwoord: Omdat Jezus zei dat Hij gelijk was aan God.
  5. Wanneer gebruikten de Romeinen kruisiging als een manier om iemand te doden?
    Antwoord: Zij gebruikten dit alleen bij de meest erge criminelen.

Bijbelgedeelte

Marcus 14
32 En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsémané was, en Hij zei tegen Zijn discipelen: Ga hier zitten totdat Ik gebeden zal hebben.
33 En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en begon ontdaan en zeer angstig te worden;
34 en Hij zei tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak.
35 En toen Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich ter aarde en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan.
36 En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn mogelijk voor U; neem deze drinkbeker van Mij weg, maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.
37 En Hij kwam en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Simon, slaapt u? Was u niet in staat één uur te waken?
38 Waak allen en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
39 En toen Hij weer weggegaan was, bad Hij en sprak dezelfde woorden.
40 En toen Hij terugkwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden; en zij wisten niet wat zij Hem moesten antwoorden.
41 En Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.
42 Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.
43 En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, die een van de twaalf was, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten.
44 En hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem, en leid Hem zorgvuldig bewaakt weg.
45 En toen hij daar gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi, Rabbi, en hij kuste Hem.
46 En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.
47 Maar een van degenen die daarbij stonden, trok het zwaard, en hij trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.
48 En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan, als tegen een misdadiger, om Mij gevangen te nemen?
49 Dagelijks was Ik bij u in de tempel onderwijs aan het geven en u hebt Mij niet gegrepen, maar dit gebeurt opdat de Schriften vervuld worden.
50 En Zijn discipelen verlieten Hem en vluchtten allen.
51 En een zekere jongeman, die een linnen kleed om het naakte lichaam geslagen had, volgde Hem, en de jongemannen grepen hem,
52 maar hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg.
53 En ze leidden Jezus weg naar de hogepriester; en bij hem kwamen al de overpriesters, de oudsten en de schriftgeleerden bijeen.
54 En Petrus volgde Hem op een afstand, tot binnen het paleis van de hogepriester, en hij zat er samen met de dienaars en warmde zich bij het vuur.
55 En de overpriesters en heel de Raad zochten een getuigenverklaring tegen Jezus om Hem te kunnen doden, maar vonden die niet.
56 Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar de getuigenissen waren niet eensluidend.
57 Toen stonden er enigen op en legden een vals getuigenis tegen Hem af en zeiden:
58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken en in drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen.
59 En ook zo was hun getuigenis niet eensluidend.
60 En de hogepriester, die in het midden opstond, vroeg Jezus: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze mensen tegen U?
61 Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?
62 En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel.
63 Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Waar hebben wij nog getuigen voor nodig?
64 U hebt de godslastering gehoord. Wat is uw mening? En zij allen oordeelden over Hem dat Hij schuldig was en de dood verdiende.
65 Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen en Zijn gezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan en tegen Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem slagen in het gezicht.

Marcus 15
1 En meteen, 's morgens vroeg, beraadslaagden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden en heel de Raad, en nadat zij Jezus gebonden hadden, brachten zij Hem weg en leverden zij Hem over aan Pilatus.
2 En Pilatus vroeg Hem: U bent de Koning van de Joden? En Hij antwoordde hem en zei: U zegt het.
3 En de overpriesters beschuldigden Hem van veel dingen, maar Hij antwoordde niets.
4 En Pilatus stelde Hem opnieuw een vraag en zei: Antwoordt U niet? Zie, hoeveel zij tegen U getuigen!
5 Maar Jezus antwoordde helemaal niets meer, zodat Pilatus zich verwonderde.
6 Nu liet hij op een feest één gevangene voor hen los, wie zij maar wensten.
7 En er was er een, die Barabbas heette, die gevangenzat met medeoproermakers die in het oproer een moord begaan hadden.
8 En de menigte schreeuwde en begon te eisen dat hij zou doen zoals hij altijd voor hen gedaan had.
9 En Pilatus antwoordde hun: Wilt u dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat?
10 Want hij wist dat de overpriesters Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
11 Maar de overpriesters hitsten de menigte op, dat hij liever Barabbas voor hen zou loslaten.
12 En Pilatus antwoordde opnieuw en zei tegen hen: Wat wilt u dan dat ik met Hem doen zal Die u de Koning van de Joden noemt?
13 En zij riepen opnieuw: Kruisig Hem!
14 Maar Pilatus zei tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? En zij riepen nog harder: Kruisig Hem!
15 Pilatus nu wilde de menigte tevredenstellen en liet Barabbas voor hen los; en hij leverde Jezus, nadat hij Hem gegeseld had, over om gekruisigd te worden.